Oops! It appears that you have disabled your Javascript. In order for you to see this page as it is meant to appear, we ask that you please re-enable your Javascript!

Rode agaporniden, een mutatie?

Rode agaporniden, een mutatie?
[Genus Agapornis]

Door Dirk Van den Abeele
(16/02/2005)
(updated 13/12/2007)

Het was rond 1980 toen ik voor het eerst een ‘rode’ Agapornis zag in de handel.  Het was een lutino A. roseicollis pop die door een of andere reden bijna volledig rood gekleurd was.  Het resultaat was een bijna volledig rode vogel met rode ogen, witte slagpennen en hier en daar  enkele gele veren. Ik had toen geen enkel benul of het hier al dan niet om een mutatie ging. Ik dacht dat dit een gewone mutant was en kocht de vogel aan.  Ik was er vast van overtuigd dat ik nu ook rode vogels kon kweken, maar niets was minder waar.  Na een zestal maanden stierf de vogel zonder kweekresultaten.  Ik nam voor om, wanneer ik nog eens de kans kreeg, opnieuw een rood exemplaar aan te schaffen en daarmee een stam op te zetten.

Ik heb dan ook door de loop der jaren heen verschillende ‘rode’ exemplaren gekocht, zowel A. personatus, A. fischeri als A. roseicollis,  maar ik ben er nooit in geslaagd om maar één rood exemplaar te kweken.  Alle vogels stierven na verloop van tijd zonder kweekresultaten. Toch zijn er mensen die deze rode vogels als mutatie bestempelen en men kan op het internet verschillende sites vinden waar ze zelfs te koop aangeboden worden.  Ook de vogelliteratuur maakt soms melding van deze vogels.  De eerste meldingen en beschrijvingen komen reeds uit 1921 door Seth-Smith en nog een uit 1926 door Boetticher. Redenen genoeg dus om deze zaken eens van naderbij te gaan bekijken.

Rood?
Eerste vraag die we ons moeten stellen is: wat veroorzaakt deze rode kleur?  Het antwoord op deze is gemakkelijk: psittacine.  Bij deze rode exemplaren zien we dat de normaal geel gekleurde psittacine in bepaalde veervelden, of zelfs over het volledige lichaam, rood van kleur wordt.
Op de vraag hoe dat komt is het antwoord niet zo gemakkelijk te geven.  Is het een mutatie? Is het een ziekte? Is het een gewone modificatie? Heeft het met voeding te maken?…….

Er is rood en rood………
Gedurende bijna 25 jaar heb ik informatie over deze rode vogels kunnen bijeensprokkelen en eigenlijk kunnen we al duidelijk twee groepen ‘rode’ agaporniden onderscheiden.
De eerste groep is de vogels die ‘rood’ geboren zijn.  Ik heb ooit een A. personatus gezien waarbij de gele veervelden (borst en nek), volledig rood waren.  Ook heb ikzelf eens een jonge A. fischeri in het nest gehad die overwegend ‘rood’ was.  Hier waren ook de groene veervelden aangetast en de normaal gele psittacine in de cortex van de veren was bij deze vogels ook rood, waardoor deze een ‘bruinachtige’ kleur kregen. Ook zijn er verschillende meldingen al geweest van jonge A. roseicollis die ‘rode schubben’ op het lichaam hebben enz.   Zo ver ik de gegevens heb kunnen bijhouden heb is hier het vervolg steeds voorspelbaar: of de vogels krijgen terug de normale kleur of ze sterven voor de eerste jeugdrui. Geen enkele van de meldingen die ik hier rond gekregen heb maakte hierop een uitzondering.

Een tweede groep is de vogels die op latere leeftijd beginnen rode aanslag te krijgen.  Deze behouden meestal die rode aanslag welke met de tijd steeds verder uitbreidt.  Hoe roder van kleur ze worden, hoe gevaarlijker, want de meeste sterven enkele maanden na het verschijnen van de eerste rode aanslag.  Toch is er af en toe een melding van vogels met extreem rode aanslag die toch in staat blijken om verder te kweken. Momenteel heb ik zelfs één betrouwbare (en controleerbare) melding van een A. roseicollis (cinnamon groene pop) die rood werd, maar toch nog steeds in leven is.  Enkele van haar jongen ontwikkelen na verloop van tijd ook stilaan een rood patroon.  Toch kan men evenwel (nog) niet aantonen dat het om een chromosomale mutatie zou gaan en aangezien het over heel jonge vogels gaan weten we niet of de jongen op hun beurt deze kenmerken verder overerven.  Een logisch antwoord zou zijn dat het toch een mutatie is.  Er zijn enkele mutaties die de kleur van het psittacine aantasten, denken we maar aan  de oranjemasker.  Hier hebben we een verandering van de kleur van het gevormde psittacine, maar dat is hier niet vergelijkbaar.  Er is zelfs bij parkietachtige één mutant gekend welke om een of ander reden er in slaagt om het gele psittacine in bepaalde veervelden rood te laten kleuren en psittacine in veervelden te plaatsen waar we het normaal niet vinden: de opaline (* bedenk wel deze mutatie gaat evenwel geen psittacine plaatsen in een soort waar er normaal geen psittacine aanwezig is, enkel in een soort waar wel psittacine in de veren zit, gaat de opaline mutant deze posities herschikken).  Deze opaline mutant vererft SL (geslachtsgebonden) en vinden we bij agaporniden terug bij A. roseicollis.  Toch kunnen we met zekerheid al stellen dat deze niets te maken heeft met de ‘rode’ vogels.  Bij opaline hebben de vogels immers reeds hun herkenbaar opaline patroon in het nest.

Kleuren en veren
Om een iets duidelijker inzicht te hebben in deze materie is het goed om even in de vederstructuur te duiken en daar eens te gaan uitzoeken hoe we aan deze verschillende kleuren komen en welke elementen er allemaal bij betrokken zijn.
De kleur van de veren wordt bepaald door de aanwezige kleurstoffen en de microstructurele samenstelling van de veer.  Bij de meeste vogelsoorten treffen we als kleurstoffen melaninen en carotenoïden aan.  De melaninen (eumelanine en phaeomelanine) zijn roodbruin tot zwart van kleur. Deze melaninen hebben echter niets met de rode kleur te maken, de carotenoïden wel.
De structuur en ontwikkeling van de melaninen en carotenoïden is al heel intens bestudeerd.  Dat geeft ons gelukkig de mogelijkheid om ons een goed beeld te kunnen vormen over het ontstaan en de vorming van deze kleurstoffen.
Carotenoïden zijn een grote groep van natuurlijke pigmenten welke we ook terugvinden in planten, groenten en fruit.  Deze carotenoïden zijn veelal rood, oranje of geel gekleurd. Een paar van de meest voorkomende carotenoïden zijn oa: canthaxanthine, luteïne, a-carotene, astaxanthine, zeaxanthine enz. Bij vogels met carotenoïde in de veren (bv kanaries) is het bekend dat de kleur van de carotenoïde in de bevedering beïnvloed kan worden door de vogels bepaalde voedingsstoffen toe te dienen.
De reden daarvan is eigenlijk simpel: carotenoïde kleurstoffen worden door de vogels via de voeding opgenomen. Via het spijsverteringskanaal (een onmisbare schakel in dat proces is onder andere de lever)  komen ze in de bloedbaan terecht vanwaar de stof direct of indirect in de groeiende veer wordt afgezet.  De intensiteit van de kleur wordt bepaald door het soort carotenoïde en de kwantiteit die is afgezet in de veer.

Dank zij HPLC of de High Performance Liquid Chromatography (een van de nieuwe onderzoeksmethoden) is het voor de wetenschappers gemakkelijker geworden om de chemische samenstelling van carotenoïde te bepalen.  Dank zij deze methode kon men bepalen dat de chemische samenstelling van rode carotenoïde totaal anders is dan de gele carotenoïde bij dezelfde vogelsoort. (Stradi 1998; Massa en Stradi 1999; McGraw. K.J. 2003).  Zo hebben Massa en Stradi in 1999 de veren onderzocht van een geelkop Gouldamadine (Chloebia gouldiae).  Deze gele veren bevatten luteïne en 3’-dehydroluteïne, terwijl de normale rode veren bij de wildvorm 4-ketocarotenoïden bevat.
Kevin J. McGraw onderzocht de veren van een wildvorm ‘rode kardinaal’ (Cardinalis cardinalis) en vergeleek ze met een gele mutant en kwam tot dezelfde vaststelling. Zowel de rode als de gele carotenoïde in deze veren hadden een verschillende chemische samenstelling.   In deze beide gevallen heeft een mutatie er voor gezorgd dat het metabolisme van de vogel niet de normale “rode” carotenoïden in de veren afzette, maar wel een gewijzigde samenstelling. De omzetting in het vogellichaam van de via de voeding opgenomen carotenoïden geschiedt door enzymen die bijgevolg door erfelijke factoren kunnen beïnvloed worden. Logische conclusie zou dan ook zijn dat dit ook het geval is bij onze agaporniden, maar is dat dan wel zo?

Bij agaporniden
Daarnet werd al gesteld dat de meeste vogels carotenoïde in de veren hebben, maar de parkietachtige (psittaciformes) en dus ook agaporniden zijn hierop een uitzondering.  In plaats van carotenoïden treffen we in de veren van parkietachtige een ongewoon helder kleurpigment aan. Dit werd in 1883 door Krukenberg voor het eerst wetenschappelijk vastgesteld.  Hij gaf het pigment de naam psittacofulvins. In 1936, 1937 en 1942 werd dit door Völker ook meermaals onderzocht en bevestigd.

De veren van agaporniden bezitten eumelanine en psittaccofulvins (of psittacine zoals we deze pigmenten omschrijven).  Deze psittacine is verantwoordelijk voor de rode en gele kleuren in de veren van agaporniden.  Dus moeten we de oorzaak van deze rode vogels eigenlijk daar gaan zoeken.

Psittacine (psittacofulvins)
Als we psittacine met carotenoïde gaan vergelijken zien we enkele raakvlakken. Net zoals carotenoïde zijn psittacofulvins of psittacine zoals we het noemen “lipid oplosbaar” (vetoplosbaar) of met andere woorden oplosbaar in apolaire solventen zoals benzeen of chloroform. Verder zorgen ze ook voor de rode, oranje en gele kleur bij agaporniden, net zoals de carotenoïden dat ook doen bij bv de vinkachtigen.

We zouden dan ook kunnen veronderstellen dat deze psittacofulvins net als bij carotenoïde aangetroffen worden in de bloedbaan van waaruit ze in de veer worden afgezet, maar recente onderzoeken hebben aangetoond dat dit niet zo is.  Er werd onderzoek gedaan naar de samenstelling van rode veren bij 44 parkietachtigen (McGraw & Mary C. Nogare 2005).  Het onderzoek bij alle onderzochte soorten heeft aangetoond dat:
geen enkele van deze soorten  carotenoïde in de veren had, wel psittacofulvins (psittacine)
er wel bepaalde carotenoïden aangetroffen werden in de bloedbaan, maar absoluut geen psittacofulvins.

Met andere woorden, parkietachtige hebben de mogelijkheid om carotenoïden op te nemen in het metabolisme, maar gebruiken de opgenomen kleurstoffen niet om deze af te zetten in hun veren.  In plaats daarvan wordt er psittacofulvins afgezet in de veren.  Dat bewijst wat we eigenlijk al langer uit ervaring wisten: nl dat dit pigment niet afhangt of beïnvloed kan worden door de opgenomen kleurstoffen.  Met andere woorden, in tegenstelling tot kanaries, kan men de rode, gele of oranje kleur in de veren van agaporniden niet beïnvloeden door het toedienen van bepaalde voeding- en kleurstoffen.

Een ander interessant gegeven is dat de HPLC methode aantoonde dat de rode psittacofulvins in de veren van parkietachtige bestaat uit tetradecahexenal, hexadecaheptenal, octadecaoctenal, eicosanonenal en een vijfde onbekend component. (Stradi & al 2001; McGraw & Mary C. Nogare 2005).  Onderzoek van gele veren bleek echter niet zo eenvoudig te zijn en daardoor is de juiste samenstelling van de gele psittacine nog niet gekend.  Maar dat bewijst dan wel dat, net als bij carotenoïden, de chemische samenstelling van rode en gele kleurstof verschillend is.

Wanneer we dit dan gaan projecteren bij het verschijnsel van de rode agaporniden, kunnen we alvast uitsluiten dat dit verschijnsel veroorzaakt wordt door een teveel van een bepaalde voedingsstof. Het is niet het metabolisme van het lichaam die de kleur veroorzaakt in de veer, want de kleurstoffen in het bloed worden daar immers niet in afgezet.  Regelmatig wordt ook geopperd dat een leverziekte wel eens aan de oorzaak van deze extreem rode kleur zou kunnen zijn, maar net om dezelfde redenen kunnen we dat ook waarschijnlijk uitsluiten.

Aangezien er geen psittacofulvins werden aangetroffen in de bloedbaan zal de oorzaak en het ontstaan van psittacine door de wetenschappers waarschijnlijk in de veerfollikel zelf moeten gezocht worden.  Een mogelijke oorzaak zou dus kunnen zijn: of een mutatie of een defect aan de veerfollikel in de huid.
Als het om een chromosomale mutatie zou gaan, zouden we, met de verschillende meldingen die er waren, zeker een vast verervingpatroon moeten kunnen concluderen, maar dat is (nog) niet het geval.  Wat er wel kan, is dat dit fenotype veroorzaakt wordt door modificerende genen of multifactorieel vererft.  Dat zou dan inhouden dat er meerdere genen zouden moeten gemuteerd zijn, wil men deze rode kleur krijgen.  Dat zou dan een verklaring kunnen zijn voor het voorbeeld van de ‘rode’ cinnamon A. roseicollis welke een ‘rode’ nakomeling kreeg.

Een andere mogelijkheid is dat er misschien een defect is in de veerfollikel.  Bij de eumelaninemutatie zien we dat we daar ook vormen van leucisme hebben.  Bij deze mutanten ligt de oorzaak ook in de melanocyten (huidpigmenten) die verantwoordelijk zijn voor de aanmaak van eumelanine. Het is dan ook niet denkbeeldig dat de oorzaak hier moet gezocht worden bij de cellen die verantwoordelijk zijn voor de opbouw van de veer.

Aangezien deze vormen meestal voorkomen bij of heel jonge vogels, die ofwel terug normaal kleuren na de eerste jeugdrui of sterven tijdens de jeugdrui, zou men ook aan een hormonale oorzaak kunnen denken, maar daarvoor is vergaand wetenschappelijk onderzoek nodig en dat zie ik nog niet direct gebeuren.

U ziet het, mensen die een pasklaar antwoord willen, moeten we teleurstellen. We hebben wel een paar mogelijke antwoorden, maar tegelijkertijd duiken er opnieuw andere vragen op.

Een andere mogelijkheid die we zeker niet uit het oog mogen verliezen is dat het misschien een ziekte is en dan lijkt mij de hamvraag:  is het verantwoord om met deze vogels proberen te kweken?  De meeste van deze rode vogels sterven immers vrij vroeg en we mogen niet vergeten dat niet alleen “een andere kleurtje” het effect van een mutatie is.  Verschillende ziekten zijn ook mutaties maar deze hebben een minder leuk effect dan gewoon maar een ‘ander kleurtje’ in de veren.  Moest blijken dat dit een letale factor is, dan zijn we deze beter kwijt dan rijk.  Belangrijk daarom is dat mensen die ook met deze rode vogels te maken hebben of krijgen, alle data goed bijhouden en ons ze eventueel doorsturen.  De tijd zal ons dan hopelijk het antwoord geven.

 

Dirk Van den Abeele

Geraadpleegde literatuur:

BOETTICHER, H. 1926. Mutant of A.roseicollis. Orn. Monatsber. 34 : 18.
SETH-SMITH, D. 1921. Stray Notes (Mutant of A. roseicollis Avic. Maag. (3) 12 : 106-108
KRUKENBERG, C.F.W. 1882. Die Federfarbstoffe der Psittaciden. Vergleichend-physiologische Studien Reihe 2, Abtlg. 2, 29_36.
MCGRAW, K.J., Geoffrey E. Hill And Robert S. Parker. 2003: Carotenoid Pigments In A Mutant Cardinal: Implications For The Genetic And Enzymatic Control Mechanisms Of Carotenoid Metabolism In Birds
MCGRAW, K.J., M.C. Nogareb  2004. Carotenoid pigments and the selectivity of psittacofulvin-based coloration systems in parrots
MCGRAW K.J. and Mary C. Nogare, 2005. Distribution of unique red feather pigments in parrots
STRADI, R. 1998 The colour of flight: carotenoids in bird plumage. Milan, Italy: Solei Gruppo Editoriale Informatico.
STRADI, R. 1999 Pigmenti e sistematica degli uccelli. Colori in volo: il piumaggio degli uccelli (eds. L. Brambilla, G. Canali, E. Mannucci, R. Massa, N. Saino,
STRADI, R & G. Zerbi. pp. 117–146, Milan, Italy: Universita degli Studi di Milano.
STRADI, R., Pini, E. & Celetano, G. 2001 The chemical structure of the pigments in Ara macao plumage. Comp. Biochem. Physiol. B 130, 57–63.
VÖLKER, O. 1936 Ueber den gelben Federfarbstoff des Wellensittichs (Melopsittacus undulatus (Shaw)). J. Ornithol. 84, 618–630.