Oops! It appears that you have disabled your Javascript. In order for you to see this page as it is meant to appear, we ask that you please re-enable your Javascript!

Genus Forpus, een taxonomisch overzicht – deel 4 Forpus coelestis (Lesson) 1847

Genus Forpus, een taxonomisch overzicht – deel 4
Forpus coelestis
(Lesson) 1847

Door Dirk Van den Abeele
Ornitho-Genetics VZW
MUTAVI, Research & Advice Group

Gepubliceerd in 2015

Dit is, in avicultuur, zonder twijfel de bekendste en meest aanwezige soort van het genus Forpus. Nochtans is hun verspreidingsgebied, als we het vergelijken met het habitat van sommige andere Forpussoorten, niet zo heel groot. Het bedraagt ‘amper’ een 150.000 km² (maar dat is dan toch zo’n 5 keer groter dan de oppervlakte van België) en is verspreid over de westkust van Ecuador en het noordwesten van Peru. Maar op 22 maart 2014 werd een kleine groep Forpus coelestis voor het eerst waargenomen in Mataje – Colombia, aan de grens met Ecuador in Nariño. Dit is waarschijnlijk het gevolg van de ontbossing van de lowlands in Equador. Door deze onbossing worden meer en meer diverse soorten opgemerkt welke verder noordwaards trekken in Colombia (Brinkhuizen and Seimola, 2014).

Forpus coelestis is ongeveer 12 tot 13 cm groot en zijn gewicht varieert ongeveer van 24 tot 33 gram (Del Hoyo et al., 1997; Forshaw and Knight, 2006, p. 150).

Over het doen en laten van Forpus coelestis in de natuur weten we eigenlijk heel weinig. De publicaties die mij bekend zijn hebben het enkel over vrij algemene eigenschappen, die ook bij andere soorten van het genus Forpus, van toepassing zijn. De meeste meldingen hebben het over het feit dat ze in kleine groepjes tot ongeveer een dertigtal vogels foerageren. Ze leven van graszaden, bloesems en kleine vruchten en broedden in de beschikbare holtes in bomen (Whitney, 1996). Het gebied waar Forpus coelestis leeft bestaat zowel uit subtropische laagvlakten en wouden. Maar ze zijn ook in open akkerbouwgebieden en tuinen aan te treffen. In vochtige bossen zijn ze iets minder vaak voorkomend.
Zoals de meeste dieren houden ze zich meestal op in de buurt van water. Men mag niet vergeten dat het habitat waar deze vogels leven soms langere periodes van weinig of geen neerslag kent.  Bijna de totale hoeveelheid neerslag die op jaarbasis valt in hun habitat, wordt gemeten in de periode februari tot en met mei. Na mei wordt het ineens een stuk droger en zijn er plekken waar wekenlang geen druppel regen valt. In de zomer (december-maart) is het overdag gemiddeld 27°C. ’s Winters ligt het kwik net boven de 20°C. Ondanks de beperkte regenval kan het er wel erg mistig zijn.

In avicultuur hebben liefhebbers al enkele decennia ervaring met het fokken van deze soort en daaruit konden ze afleiden dat deze vogels soms heel vijandig kunnen uithalen naar soortgenoten. Er zijn ook regelmatig meldingen van kannibalisme. Of dat ook in de natuur gebeurd daar heb ik helaas geen informatie over.

Beschrijving Forpus coelestis

Net als bij alle andere forpussoorten zijn er duidelijke uiterlijke verschillen tussen man en pop. Bij de mannen is snavel hoornkleurig, masker is emeraldgroen, het achterhoofd heeft een blauwgrijze waas. Achter het oog loopt een donkerblauwe oogstreep richting het achterhoofd. De vleugels hebben een grijze waas, de primaire en secondaire vleugeldekveren, stuit en vleugelbocht zijn net als de ondervleugeldekveren donkerblauw. Het lichaam is lichtgroen met een lichtgrijze waas. Staart is lichtgroen, poten vleeskleurig, iris bruin.

De poppen missen de donkerblauwe veervelden en ogen iets doffer van kleur. Achter het oog en op de stuit en onderrug zijn zij emeraldgroen. Ook zijn er regelmatig meldingen van poppen waar het emeraldgroen overgaat naar lichtblauw. Daardoor kunnen we concluderen dat het hier om een natuurlijke variant gaat, maar ik wil wel benadrukken dat deze poppen met blauwe aanslag zeker niet gewenst zijn tijdens tentoonstellingen.

De ontdekking van Forpus coelestis

Over de eerste beschrijving van deze vogels is er toch wat twijfel, feit is dat het de Fransman Lesson was die in 1847 in zijn boek Description de mammife?res et d’oiseaux re?cemment de?couverts, pre?ce?de?e d’un tableau sur les races humaines op pagina 198 melding maakte van deze soort die hij in deze Franse editie Agapornis céleste noemde. In dit zelfde artikel verwees hij naar zijn  eigen wetenschappelijke beschrijving van deze soort onder de wetenschappelijke naam Agapornis coelestis in ‘Echo du Monde savant’ uit 1844. Probleem is dat deze Echo du Monde savant bijna nergens meer te vinden is en dat de mensen die het boek bekeken hebben claimen dat deze naam er niet in voorkomt. Er is dan wel de naam ‘coelestis’ te vinden. Maar deze gebruikt Lesson in de combinatie Platycercus coelestis waaronder hij de ondersoort beschrijft die wij vandaag als Platycercus adscitus palliceps kennen, dus de bleekkoprosella. Om die reden werd door taxonomen de beschrijving van Lesson uit 1847 en niet deze uit 1844 als type beschrijving genomen.

René Primivrè Lesson (1794-1849) startte zijn carrière eigenlijk als chirurg om daarna als apotheker en botanicus aan de slag te gaan tijdens Louis Isidore Duperrey’s reis om de wereld met de La Coquille van1822 tot 1825. Lesson verzamelde tijdens deze reis heel wat materiaal en was de eerste onderzoeker die paradijsvogels observeerde en beschreef. Na deze reis publiceerde hij verschillende werken waarin hij diverse nieuwe soorten beschreef, met uiteraard ook deze Agapornis coelestis.

Ik citeer uit zijn beschrijving:

Deze prachtige kleine parkiet is vergelijkbaar met Psittacus capensis uit Guyana en Agapornis cyanopterus (Forpus passerinus) van Swainson, die in Brazilië leeft. Agapornis célestis vertegenwoordigt deze twee soorten aan de kust van zuidelijk Amerika gelegen aan de Grote oceaan. Het is in de omgeving van Guayaquil dat deze soort het meeste aangetroffen wordt.

Agapornis céleste meet twaalf centimeter: de vleugels zijn even lang als de staart; deze staart is heel puntig; de bek is hoornachtig wit; de poten en tenen zijn geelachtig wit; het vrouwtje is een beetje kleiner dan de man; boven de neusgaten is de bek bij beide geslachten zwartachtig en de kleur van de veren zijn meestal licht- tot donkergroen.

Bij het mannetje is het bovenste gedeelte van de kop zeer lichtgroen, wangen, keel en de voorhals zijn van eenzelfde kleur. De rug en het bovenste gedeelte van de vleugels zijn grijsgroen gekleurd. Het volledige onderlichaam is groen overgaand naar geelgroen in het midden van het onderlichaam. De nek en de zijkanten van de hals zijn hemelsblauw, het onderste gedeelte gedeelte van de rug en stuit zijn overwegend azuurblauw, de bovenstaartdekveren zijn groen aquamarijn. De staart is groen. 

De pop is overwegend groen; ze heeft een groen-gele dwarsband op het voorhoofd, diezelfde geelgroen kleur vinden we terug op de voorhals, de zijkanten van het hoofd, terwijl een heldere groene kleur domineert op de buik, borst en flanken.
Deze parkiet werd gedood rond Guayaquil’

Dat hij de naam Agapornis gebruikte voor het genus van deze dwergpapegaaien was toen niet zo verrassend. Twee jaar eerder, in 1836, had Prideaux John Selby (1788-1867) in zijn boek The naturalist’s Library Parrots, een beschrijving gemaakt van Agapornis swindernianus en daarmee de soortnaam ‘Agapornis‘ geïntroduceerd voor dwergpapegaaien of algemeen kleine papegaaitjes. Toen in 1838 de Engelse William Swainson (1789 – 1855) Forpus p. passerinus beschreef in ‘Animals in Menageries’ deed hij dat daarom ook onder de naam Agapornis cyanopterus en Agapornis guianensis. Swainson wilde daarmee, net als Lesson, gewoon zeggen dat deze vogels klein van gestalte waren, dus ‘een soort dwergpapegaai’. Pas 10 jaar later werd dan ook een verschil gemaakt tussen Afrikaanse dwergpapegaaien (geslacht Agapornis) en Zuid-Amerikaanse dwergpapegaaien (geslacht Forpus, en in het begin ook Psittacula). Een wijze beslissing toen want vandaag de dag weten we uit genetisch onderzoek dat deze soorten genetisch mijlenver uit elkaar liggen en dat het genus Forpus minstens 30 miljoen jaar jonger is dan het genus Agapornis  (de Kloet and de Kloet, 2005; Smith et al., 2013).

Ondersoort?
Een discussie die al decennia lang loopt onder de hobbykweker is de vraag of de ondersoort Forpus coelestis lucidus wel degelijk bestaat of niet.

Forpus coelestis lucidus of Ridgway’s Parrotlet werd oorspronkelijk als Psittacula coelestis lucida beschreven in 1888 door Ridgway, in Proceedings of the U.S.National Museum, 10, sig.34, pp.532.538 (Colombia). In dit boek maakt Ridgway een beschrijving van een vogel aan de hand van één enkele balg, een man, die wat meer geelachtig gekleurd en meer bruinachtige aanslag op het vleugeldek heeft dan de soortgenoten die volgens hem toen nog Psittacula coelestis heette. Ridgway doopte deze vogel dan Psittacula coelestis lucida en beschouwde deze als een ondersoort. Het woord lucida betekend trouwens ‘licht, glanzend’

Frank M. Chapman vergeleek dan in 1926 het type-exemplaar met een hele reeks van 44 vogels in het American Museum of Natural History en vond dat het bij Forpus coelestis lucidus gewoon om een volwassen man gaat die soms een wat sterker geelachtige en bruinere kleur vertoont. Dit is volgens hem ook bij andere exemplaren te vinden die in het normale verspreidingsgebied voorkomen. Hij zegt er dan ook nog bij dat deze mannen in geen enkel opzicht op Forpus xanthops lijken waardoor duidelijk wordt dat het ook geen hybride van Forpus coelestis x Forpus xanthops is (Chapman et al., 1926, pp. 260–261). Dit onderzoek concludeert daarom heel duidelijk dat het bij Forpus coelestis lucidus niet om een zelfstandige ondersoort, maar gewoon om een andere morfe (verschijningsvorm), namelijk die van een wat oudere man van Forpus coelestis, gaat.  Deze ondersoort werd dan ook door taxonomisten (begrijpelijk) afgevoerd.

Om één of andere duistere reden werd de naam Forpus coelestis lucidus later door een aantal hobbykwekers gelinkt aan poppen van Forpus coelestis met wat meer blauwe aanslag op het verendek. En dat terwijl de originele beschrijving van Ridgway niet eens een pop, maar slechts een man beschrijft. Dat zorgt regelmatig voor verhalen in de hobbywereld als zou Forpus coelestis lucidus wel nog bestaan. U begrijpt nu ook waarschijnlijk ook dat niets minder waar is en alles berust eigenlijk op een hardnekkig misverstand .

Forpus coelestis in avicultuur.

We hebben het al gesteld dat deze Forpus coelestis of grijsrugdwergpapegaai vrij frequent aanwezig is in avicultuur.  Zowel in België als in Nederland is er een speciaalclub die zich enkel focust op de soorten van het genus Forpus. In België is dat de Forpus InTernational (www.ForpusInternational.com) en in Nederland de NFC, Nederlandse ForpussenClub (www.forpussenclub.nl).

Er zijn ondertussen bij Forpus coelestis  al heel wat kleurmutaties ontstaan, deze zet ik later, na het overzicht van de soorten, graag voor u op een rijtje in een apart artikel.

 

Literatuur:

Brinkhuizen, D.M., Seimola, T., 2014. First record of Pacific Parrotlet Forpus coelestis in Colombia. Conserv. Colomb. 21, 30–32.

Chapman, F.M. (Frank M., Cherrie, G.K., Richardson, W.B., Gill, G., O’Connell, G.M., Tate, G.H.H. (George H.H., Murphy, R.C., Anthony, H.E. (Harold E., (1912-1913), S.A.O.E., (1922), E.E., 1926. The distribution of bird-life in Ecuador?: a contribution to a study of the origin of Andean bird-life. Bulletin of the AMNH?; v. 55. Distribution of bird life in Ecuador.

de Kloet, R.S., de Kloet, S.R., 2005. The evolution of the spindlin gene in birds: sequence analysis of an intron of the spindlin W and Z gene reveals four major divisions of the Psittaciformes. Mol. Phylogenet. Evol. 36, 706–721.

Del Hoyo, J., Elliott, A., Sargatal, J., Cabot, J., 1997. Handbook of the birds of the world.

Forshaw, J.M., Knight, F., 2006. Parrots of the world: an identification guide. Princeton University Press.

Smith, B.T., Ribas, C.C., Whitney, B.M., HernÁndez-baÑos, B.E., Klicka, J., 2013. Identifying biases at different spatial and temporal scales of diversification: a case study in the Neotropical parrotlet genus Forpus. Mol. Ecol. 22, 483–494.

Whitney, B.M., 1996. Flight behaviour and other field characteristics of the genera of Neotropical parrots. Cotinga 5, 32–42.

 

 

Digiprove sealCopyright secured by Digiprove © 2019 Dirk Van den Abeele

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

%d bloggers like this: